Bookmark and Share

Verandert het transport van zand en slib in zee?

Morfologie bestudeert de wisselwerking tussen de beweging van het water, het transport van zand en slib in zee en de afkalving (erosie), aanzanding en aanslibbing die optreedt langs de Nederlandse kust en in de Noordzee.

Slibtransporten vinden vooral plaats in een strook langs de kust van tien à twintig kilometer breed. De grootste zandtransporten komen voor in de brandingzone. Dit is de ondiepe vooroever, waar de golven breken op de kust. In diep water vindt zandtransport alleen plaats onder invloed van getijstroming. Het zandtransport op zee en de slibtransporten gaan repeterend vooral richting noorden. De richting van het zandtransport in de brandingzone is afhankelijk van de ligging van de kust in relatie tot de invallende golven. Door het zandtransport in de brandingzone veranderen de kustlijn en de ondiepe vooroever voortdurend. De kust kan zowel afkalven als aanzanden.

Effect van Maasvlakte 2 op de morfologie

De aanleg van Maasvlakte 2 beïnvloedt de morfologische processen. De landaanwinning vormt een fysieke barrière voor golven en voor de getijstroming langs de kust. Dat heeft invloed op het transport van zand en slib in zee. Op langere termijn kan hierdoor de ligging van de zeebodem veranderen. Mogelijke gevolgen van Maasvlakte 2 zijn:

  • Meer of minder onderhoudsbaggerwerk in de vaarwegen van en naar de Rotterdamse haven (Euro-Maasgeul en Maasmond). Een nauwkeurige voorspelling over de toekomstige omvang van dit onderhoudsbaggerwerk is belangrijk vanwege de kosten die het met zich meebrengt;
  • Veranderingen in het vereiste kustonderhoud in het gebied juist ten noorden en ten zuiden van Maasvlakte 2 (kust van Delfland, Voorne en Goeree);
  • Een veranderende structuur van het oppervlakte-intergetijdegebied met geulen, slikken en platen ten zuiden van Maasvlakte 2 (Haringvlietmond), met mogelijke consequenties voor de aanwezige natuur. Mocht de ligging van de bodem in de Haringvlietmond wijzigen, dan heeft dit ook gevolgen voor de golven daar. Dat kan leiden tot minder zoutnevel op de duinenkust van Voorne en Goeree. Dat kan de natuur in dit gebied beïnvloeden.

De zeewering van Maasvlakte 2

De kustlijn van Maasvlakte 2 zal door de meer zeewaartse ligging te maken krijgen met zwaardere golf- en stroomaanvallen dan de huidige Maasvlakte. Bij het ontwerp van de zeewering die de landaanwinning moet beschermen tegen de zee is hier rekening mee gehouden.

Maasvlakte 2 krijgt grotendeels een zachte zeewering. Net als vrijwel overal langs de Nederlandse kust bestaat deze uit duinen met daarvoor strand. Dat zand blijft niet zomaar liggen. Door golven en stromingen kalft het strand af. Waar dit gebeurt, is van tijd tot tijd aanvulling met extra zand nodig, de zogenaamde zandsuppleties. Deze methode wordt sinds 1990 langs de hele Nederlandse kust toegepast. Met welke regelmaat en in welke hoeveelheden bij Maasvlakte 2 zandsuppleties vereist zijn, is onderwerp van uitgebreide studie. De uitkomsten zijn van groot belang voor het budgetteren van de onderhoudskosten van de zeewering.

De verwachte afkalving van het strand van Maasvlakte 2 wordt door veel factoren beïnvloed. De uiteindelijke vorm en ligging van de zachte zeewering spelen hierbij een rol. Maar ook het voor de aanleg van de zeewering en de suppleties te gebruiken zand is van belang. Hoe kleiner de zandkorrel, hoe makkelijker het zand wordt weggevoerd. Dus hoe groter de korrel, hoe minder onderhoud. Voor de zachte zeewering wordt daarom relatief grof zand gebruikt.

Ontgrondingskuil
Voor de westkust van Maasvlakte 2 wordt door de toenemende getijstroming een sterke erosie van de zeebodem verwacht. Hierdoor ontstaat een zogenaamde ontgrondingskuil. Bij de aanleg van de havendammen van IJmuiden is iets dergelijks ook gebeurd. In theorie kunnen ontgrondingskuilen enkele tientallen meters diep worden. De huidige diepte is tussen de vijftien en twintig meter.

Of en in welke mate een ontgrondingskuil ontstaat, moet blijken uit studie. Wordt de ontgrondingskuil dieper dan twintig meter dan is, volgens afspraak, extra compensatie nodig in het bodembeschermingsgebied dat ten zuiden van Maasvlakte 2 wordt aangelegd. Mogelijk is de vorming van een ontgrondingskuil te beperken door het nemen van aanvullende maatregelen, zoals het plaatselijk beschermen van de zeebodem met steenbestorting.

Slibtransport
De aanleg van Maasvlakte 2 beïnvloedt ook het grootschalige transport van slib in de Noordzee. Om de ecologische impact hiervan op de Nederlandse kustzone te voorspellen, is het belangrijk deze veranderingen in de slibhuishouding zorgvuldig in kaart te brengen. De effecten spelen rondom de toekomstige landaanwinning, maar ook bij de kust bij Voorne, Goeree, Delfland en verder noordwaarts. Uit eerdere studies is gebleken dat Maasvlakte 2 en de zandwinning hiervoor invloed kunnen hebben op het Noordzee-milieu tot aan de ingang van de Waddenzee. Keiharde voorspellingen over de precieze effecten zijn bij de huidige stand van de wetenschap niet mogelijk. De Raad van State heeft echter bepaald dat hierover toch meer duidelijkheid nodig is. Vandaar dat in 2005 aanvullend onderzoek plaats heeft gevonden naar het effect van Maasvlakte 2 op het grootschalige slibtransport in de Noordzee.

Een deel van het slibtransport langs de Nederlandse kust stroomt tijdens vloed de havenmond en de achterliggende havenbekkens in, waar het vervolgens bezinkt. Om de haven van Rotterdam op diepte te houden, moet momenteel in de Maasmond jaarlijks zo'n acht miljoen m³ slib worden gebaggerd. Uit bestaand onderzoek blijkt dat de aanleg van Maasvlakte 2 ertoe leidt dat de Maasmond en de havenbekkens minder aanslibben en dus minder onderhoud vragen. Door de landaanwinning wijzigt het stromingspatroon voor de haven. Hierdoor verminderen met name tijdens vloed de slibconcentraties vlak voor de havenmond.

Effect zandwinning
Voor de aanleg van Maasvlakte 2 zijn enkele honderden miljoenen m³ zeezand nodig. Een apart onderzoek concentreert zich op de mogelijke effecten van deze zandwinning op het leven in de Noordzee. Bij het winnen van het zand met sleephoppers komt namelijk een klein percentage slib vrij dat zich door de stroming verspreidt in de omgeving van de zandwinlocaties. Uit oogpunt van ecologie is het belangrijk te weten om wat voor slibconcentraties het gaat. Hoe is het doorzicht en de vertroebeling en waar zal het slib uiteindelijk neerslaan, waardoor het bodemleven bedekt wordt.

Ook de zandwinputten verstoren voor langere tijd de zeebodem. Daarom is onderzocht wat ecologisch gezien de beste vorm (ligging, diepte, afmetingen) van dergelijke zandwinputten is. In plaats van zoals gebruikelijk slechts twee meter van de zeebodem af te graven wordt voor Maasvlakte 2 in de zandwinput 20 meter diep gewonnen. Dat leidt ertoe dat minder zeebodem wordt verstoord.

Geavanceerde computermodellen
Vanaf de eerste ontwerpexercities voor Maasvlakte 2 hebben tal van gerenommeerde instituten en adviesbureaus gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van een uitgebreid modelmatig instrumentarium voor het beantwoorden van morfologische vraagstukken. De toegepaste technieken, software en hardware zijn tijdens de afgelopen zeven jaar sterk geëvolueerd. Hierdoor zijn nu realistische voorspellingen mogelijk over de morfologische ontwikkelingen over een langere periode. Nederland loopt wereldwijd voorop in de modellering van morfologie en slibtransport. Het huidige onderzoek naar de slibtransporten op zee vanwege de monitoring betekent een verdere verrijking voor het vakgebied. Dit onderzoek is ook van groot belang met het oog op eventuele nog gedetailleerdere berekeningen in de toekomst.