Landaanwinning onduidelijk, kosten half miljard hoger


24 mei,  © Weekblad Schuttevaer 

Verkeer en Waterstaat heeft de Tweede Kamer niet goed geïnformeerd over de landaanwinning die nodig is voor de Tweede Maasvlakte. Ook is de bijdrage van het rijk die daarvoor nodig is een half miljard hoger dan werd voorgesteld. Dat stelt de Algemene Rekenkamer in het vorige week gepresenteerde rapport De staat van de beleidsinformatie 2007. Om het ruimtegebrek in de haven weg te werken was al snel duidelijk dat landaanwinning in de Noordzee de beste optie was. De omvang daarvan bleek minder vanzelfsprekend. 

Verkeer en Waterstaat schatte de in 2020 benodigde ruimte in 1996 op 1100 tot 1400 hectare, oplopend tot 2000 hectare in 2035. Het Centraal Planbureau (CPB) kwam met 610 hectare veel lager uit. Bij minder gunstige groeiscenario’s zou dit tekort nog halveren of zelfs verdwijnen. De minister deelde de Tweede Kamer vervolgens wel mee dat het CPB kantekeningen plaatste bij de omvang van het ruimtegebrek, maar noemde de schatting van 610 hectare niet. Wel meldde de minister de schatting van de Commissie Middelhoek van 900 hectare. Het kabinet besliste in 1997 uiteindelijk tot 1000 hectare landaanwinning. De Rekenkamer kon niet achterhalen hoe deze oppervlakte was onderbouwd. Ook de later gepubliceerde aanvullende maatschappelijke kosten-batenanalyse leverde niets op. De Rekenkamer concludeert nu dat de minister de Kamer niet transparant informeerde. 

Nog lager 
In 2001 kwam het CPB met een nieuwe berekening van het te verwachten ruimtegebrek. Uitgaande van een sterke groei kwam het CPB uit op een ruimtebehoefte van maximaal 270 hectare in 2020, oplopend tot 680 hectare in 2035. Het CPB gaf ook aan dat de landaanwinning in geen enkel groeiscenario geld oplevert voor de Nederlandse samenleving. Alleen wanneer rekening wordt gehouden met een gebruikswaarde na 2035 wordt het beeld volgens het CPB in de hogere groeiscenario’s positiever. 

Volgens de Rekenkamer werden twee afspraken gemaakt die de onzekerheid over de ruimtebehoefte relativeren. ‘Zo werd vastgelegd dat de marktvraag opnieuw wordt bepaald voordat met de aanleg wordt begonnen. Het Havenbedrijf Rotterdam voert deze toets in 2007 uit. In de tweede plaats beperkt de gefaseerde aanleg van de Maasvlakte het risico van teveel ruimte. De ontwikkeling en invulling van de Tweede Maasvlakte is afhankelijk gemaakt van ontwikkelingen in de markt. Dit betekent dat het Havenbedrijf Rotterdam pas met de aanleg van de daaropvolgende fase mag beginnen als er voldoende vraag naar ruimte is.’ 

Kosten 
De Rekenkamer plaatste niet alleen vraagtekens bij de benodigde hoeveelheid grond, ook de kosten waren niet helemaal duidelijk. ‘In de basisrapportage gaf de minister de Tweede Kamer in 2006 aan dat de totale kosten 3575 miljoen euro bedragen. Daarvan is de rijksbijdrage 910 miljoen euro. Dat bedrag bestaat uit 638 miljoen euro voor landaanwinning, 119 miljoen euro voor 750 hectare natuur- en recreatiegebied en negentig miljoen voor natuurcompensatie. Anders dan de 910 miljoen euro onder het kopje Bijdrage Rijk doet vermoeden, zijn er voor het rijk nog andere aanzienlijke kosten. De basisrapportage maakt namelijk melding van 574 miljoen euro aan overige investeringen. Dat geld gaat onder meer op aan aanpassing voor de infrastructuur, onvoorziene kosten en btw. 

‘Hoewel de afspraak tussen rijk en de uitvoerende partijen is dat ze de meerkosten zelf opvangen, zijn er desondanks nog financiële risico’s voor het rijk. Zo is het wellicht nodig schermen langs de A15 te plaatsen. Die investering wordt geschat op honderd miljoen euro. En mocht de geluidhinder niet onder de wettelijke norm blijven, dan zijn ook daarvoor extra maatregelen nodig.’ De planning is volgens de Rekenkamer eveneens een heikel punt. ‘Toen de Raad van State zich in 2005 uitsprak tegen een aantal beleidsbeslissingen in de planologische kernbeslissing (PKB) koos de minister ervoor de gewraakte beleidsbeslissingen om te zetten in beslissingen van wezenlijk belang. Een gevolg is dat de PKB nu geen strakke kaders meer biedt waarbinnen de besluitvorming door andere bestuurslagen dient plaats te vinden. De kans dat op decentraal niveau meer bezwaar- en beroepsprocedures doorlopen moeten worden, is daardoor groter. De minister heeft de Tweede Kamer aangegeven dat de planning onder grote druk staat, maar de planning is desondanks niet aangepast.’ 

Reactie minister 
Minister Eurlings van V&W reageerde, mede namens de ministers van VROM en LNV, op de conclusies en aanbevelingen. Hij geeft aan geen nieuwe ramingen te zullen opstellen. Wel vindt hij, voor de aanleg, een marktvraagtoets nodig. Volgens de minister heeft de besluitvorming aan rijkszijde circa anderhalf jaar vertraging opgelopen. Bij de aanbeveling een realistische inschatting te maken van de einddatum merkt hij op dat de decentrale overheden en Havenbedrijf Rotterdam de planning beheersen. In het nawoord stelt de Rekenkamer dat de minister nog steeds niet aangeeft op welke gronden de ramingen van het CPB over de benodigde oppervlakte indertijd niet zijn overgenomen. ‘De Tweede Kamer heeft geen inzicht gehad in de onderliggende besluitvorming. We volgen met belangstelling hoe de minister de effecten van het project evalueert.’